Leerlingen aan het woord
‘Een goede docent luistert naar zijn leerlingen. En wil altijd blijven leren’
De Cedergroep heeft Onderwijskwaliteit niet voor niets als een van de speerpunten van de nieuwe strategische agenda gemaakt. Maar wat is volgens leerlingen nu goed onderwijs? Wanneer doet een school het goed? Aan het woord leerlingen Eva van Kempen (5 vwo, CSB) Lendel Vos en Tom Botter (beiden in 6 vwo op het Hermann Wesselink College (HWC)). Drie bevlogen leerlingen met een kristalheldere visie én mening over goed onderwijs.
Jullie zitten allemaal in de MR en/of het leerlingenparlement van jullie school en Eva, jij zit zelfs in de GMR van de Cedergroep. Waarom?
Tom: “Ik ben ervoor gevraagd. Ik wil altijd weten hoe dingen zitten en bemoei me overal graag tegenaan.”
Lendel: “Ook ik vond het interessant om te weten welke keuzes mijn school maakt. Ik ben niet bang mijn mening te laten horen en wil op school verandering tot stand brengen. Zo heb ik me actief bemoeid met de telefoondiscussie, wilde een tegengeluid geven. Eerst was ik tegen een verbod, maar door de argumenten van experts – zoals dat telefoongebruik bijdraagt aan een onveilige sociale omgeving – heb ik mijn mening herzien.”
Eva: “Ik ben begonnen bij de feestcommissie. Eerst omdat ik dan minder les hoefde te volgen en gratis eten kreeg.” [lacht] “Maar ik vond het inhoudelijk steeds interessanter worden. Ik ben een kritische luisteraar en stel vragen, bijvoorbeeld over het leerlingenstatuut en het fietsenplein.”

Tom

Lendel

Eva
‘Goed onderwijs hangt nauw samen met de kwaliteit van een docent’
Hoe vinden jullie de onderwijskwaliteit op jullie scholen?
Tom: “Ik ben heel tevreden hoe het HWC het doet.”
Lendel: “Zeker. Toch is er altijd ruimte voor verbetering. Wat mij betreft worden er meer sportactiviteiten aangeboden. Nu worden er op vrijdagmiddag wel activiteiten aangeboden, maar daar komen maar 100 van de 1.800 leerlingen op af. Dan gaat er toch iets niet goed.”
Eva: “Ik merk dat mijn school erg in ontwikkeling is. Er is al heel veel verbeterd, maar bijvoorbeeld de communicatie naar leerlingen, ouders en docenten kan beter. Mensen willen graag goed op de hoogte gehouden worden van dingen die er spelen.”
En wat zou er in het onderwijs op jullie scholen beter kunnen?
Lendel: “Wat mij betreft zou er meer aandacht moeten zijn voor individuele leerlingen. Docenten of mentoren zouden hun leerlingen vaker een op een moeten spreken, en moeten vragen naar hun (leer)behoeften. Veel leerlingen zijn bijvoorbeeld onzeker over hun profielkeuze. Zelf heb ik daar ook spijt van. Had ik meer aandacht gekregen, had ik niet de verkeerde keuze gemaakt, denk ik.” Eva: “Ja, meer aandacht voor leerlingen is belangrijk. Maar is dat niet onmogelijk in een klas met dertig leerlingen?” Tom: “Best lastig ja, maar ik herken de behoefte van Lendel wel.”
‘Je zou moeten leren hoe je effectiever kunt leren in plaats van voor een toets’
Hoe kan een school daar dan toch aan werken?
Lendel: “Beetje radicaal idee misschien, maar er ligt nu veel aandacht op cijfers. Docenten zijn veel tijd kwijt met het maken en nakijken van toetsen. Wat mij betreft komen er een stuk minder toetsen, of moet daar in elk geval minder nadruk op komen te liggen. Dan houden docenten dus tijd over voor individuele gesprekken.”
Tom: “Ik weet wel dat het HWC al omlaag is gegaan met het aantal toetsen.”
Lendel: “Dat wist ik nog niet, mooi.”
Wat is wat jullie betreft de definitie van goed onderwijs?
Tom: “Je moet als leerling geprikkeld worden. Het staat of valt met docenten die zin hebben om met het onderwerp te werken, de lesstof kunnen overbrengen en enthousiasme bij leerlingen weten aan te wakkeren.”
Lendel: “Ja, goed onderwijs hangt nauw samen met de kwaliteit van een docent.”
Eva: “Je zou eigenlijk moeten leren hoe je effectiever leert in een les. Nu leer ik keihard voor een toets, maar ben ik een week later alles weer vergeten. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Wat mij betreft moet in het onderwijs de lesstof veel meer aan de praktijk gekoppeld worden. Dan weet je wat je aan bepaalde stof hebt en het vergroot je motivatie om iets te leren.”
Lendel: “Daar sluit ik me helemaal bij aan. Je moet weten wat het nut van lesstof is. Een vak als maatschappijleer leent zich hier prima voor, maar ook daar blijft lesstof vaak abstract. Terwijl: ik zou praktische dingen willen leren. Bijvoorbeeld hoe ik een zorgverzekering afsluit, een belastingformulier moet invullen. Dat leer ik nu niet.”
Eva: “Wij hebben op de CSB het onderwijsconcept Millenium Skills met daarin de businessschool, grafisch design en technologisch design. Daar leren we heel toegepast. En in nieuwe lokalen, dat is inspirerend. Maar bij bijvoorbeeld wiskunde vraag ik me vaak af waarom ik dit nu doe.”
‘Docenten moeten flexibel blijven en zich bijscholen’
Wat vinden jullie kenmerken van een goede docent?
Lendel: “Iemand die enthousiast is over zijn vak en dat enthousiasme weet over te brengen op de leerlingen.”
Tom: “Eens. Verder denk ik aan eigenschappen als eerlijkheid, flexibiliteit, en een goede vakinhoudelijke opleiding. Belangrijk is ook dat een docent bereid is om te luisteren naar leerlingen en collega’s en daarvan wil leren.”
Eva: “Ja, een docent moet zich bewust zijn van de veranderingen in de wereld. Een docent moet voortdurend blijven leren, of het nu via bijscholing is of door goed te luisteren naar zijn of haar leerlingen.”
Tom: “Precies, docenten moeten flexibel blijven en zich bijscholen. Net zoals in het bedrijfsleven, waar je punten moet halen om bij te blijven. Waarom kan dat niet in het onderwijs?”
Als jullie minister van Onderwijs zouden zijn, wat zouden jullie dan hoog op de agenda zetten?
Lendel: “Een glijbaan in alle middelbare scholen!” [lacht] “Maar serieus, er moet meer geld komen voor sport en ik zou financiële middelen vrijmaken voor workshops door experts. Inspiratie van buitenaf kan het onderwijs verrijken. Ook zou ik geld besteden aan meer praktische leermiddelen en de individuele begeleiding van leerlingen.”
Eva: “Ik zou beginnen met te vragen aan ouders, leerlingen en docenten wat er anders kan of moet in het onderwijs. Het verzamelen van ideeën en het creëren van draagvlak zijn cruciaal. Dit doe ik al in de GMR van de Cedergroep. Dat vind ik heel leuk. Dus wie weet, komen jullie mij ooit nog tegen als minister?”